Czasowniki nieregularne, tabelka.

Plik word możesz ściągnąć tutaj.

  Polski Niderlandzki Imperfectum (l.p.)
Przeszły niedokonany
Imperfectum   (l. mn.)

Przeszły niedokonany

Perfectum

Przeszły dokonany

1 Piec Bakken Bakte Bakten h. gebakken
2 Pękać Barsten Barstte Barstten z. gebarsten
3 Zepsuć (żywność) Bederven Bedierf Bedorven h./z. bedorven
4 Oszukać Bedriegen Bedroog Bedrogen h. bedrogen
5 Zaczynać (się) Beginnen Begon Begonnen z. begonnen
6 Rozumieć Begrijpen Begreep Begrepen h. begrepen
7 Rozkazywać Bevelen Beval Bevalen h. bevolen
8 Modlić się Bidden Bad Baden h. gebeden
9 Oferować Bieden Bood Boden h. geboden
10 Gryźć Bijten Beet Beten h. gebeten
11 Wiązać Binden Bond Bonden h. gebonden
12 Dmuchać Blazen Blies Bliezen h. geblazen
13 Okazać się, wynikać Blijken Bleek Bleken h. gebleken
14 Zostać Blijven Bleef Bleven z. gebleven
15 Błyszczeć Blinken Blonk Blonken h. geblonken
16 Smażyć Braden Braadde Braadden h. gebraden
17 Łamać Breken Brak Braken h./z. gebroken
18 Przynieść Brengen Bracht Brachten h. gebracht
19 Warzyć piwo Brouwen Brouwde Brouwden h. gebrouwen
20 Zginać, wyginać, zgiąć Buigen Boog Bogen h. gebogen
21 Myśleć Denken Dacht Dachten h. gedacht
22 Robić, wykonywać, Doen Deed Deden h. gedaan
23 Nosić Dragen Droeg Droegen h. gedragen
24 Pić Drinken Dronk Dronken h. gedronken
25 Kapać Druipen Droop Dropen h./z. gedropen
26 Nurkować Duiken Dook Doken h./z. gedoken
27 Zmuszać Dwingen Dwong Dwongen h. gedwongen
28 Jeść Eten At Aten h. gegeten
29 Gwizdać Fluiten Floot Floten h. gefloten
30 Iść Gaan Ging Gingen z. gegaan
31 Dotyczyć Gelden Gold Golden h. gegolden
32 Wyzdrowieć Genezen Genas Genazen h./z. genazen
33 Rozkoszować się Genieten Genoot Genoten h. genoten
34 Dawać Geven Gaf Gaven h. gegeven
35 Lać Gieten Goot Goten h. gegoten
36 Ślizgać się Glijden Gleed Gleden h./z. gegleden
37 Kopać Graven Groef Groeven h. gegraven
38 Chwycić Grijpen Greep Grepen h. gegrepen
39 Wieszać, wisieć Hangen Hing Hingen h. gehangen
40 Mieć Hebben Had Hadden h. gehad
41 Podnieść Heffen Hief Hieven h. geheven
42 Pomagać Helpen Hielp Hielpen h. geholpen
43 Nazywać się Heten Heette Heetten h. geheten
44 Trzymać Houden Hield Hielden h. gehouden
45 Polować Jagen Joeg/jaagde Joegen/jaagden h. gejaagd
46 Wybierać Kiezen Koos Kozen h. gekozen
47 Patrzeć, oglądać Kijken Keek Keken h. gekeken
48 Wspinać się Klimmen Klom Klommen h./z. geklommen
49 Brzmieć Klinken Klonk Klonken h. geklonken
50 Przyjść, przychodzić Komen Kwam Kwamen z. gekomen
51 Kupić Kopen Kocht Kochten h. gekocht
52 Dostać Krijgen Kreeg Kregen h. gekregen
53 Móc, umieć, potrafić Kunnen Kon Konden h. gekund
54 Śmiać się Lachen Lachte Lachten h. gelachen
55 Ładować Laden Laadde Laadden h. geladen
56 Zostawić, pozwolić Laten Liet Lieten h. gelaten
57 Czytać Lezen Las Lazen h. gelezen
58 Kłamać Liegen Loog Logen h. gelogen
59 Leżeć Liggen Lag Lagen h. gelegen
60 Cierpieć Lijden Leed Leden h. geleden
61 Wydawać się Lijken Leek Leken h. geleken
62 Chodzić Lopen Liep Liepen h./z. gelopen
63 Doić Melken Molk Molken h. gemolken
64 Mierzyć Meten Mat Maten h. gemeten
65 Musieć Moeten Moest Moesten h. gemoeten
66 Móc, mieć pozwolenie Mogen Mocht Mochten h. gemogen
67 Wziąć, Brać Nemen Nam Namen h. genomen
68 Jeść śniadanie Ontbijten Ontbeet Ontbeten h. ontbeten
69 Brakować Ontbreken Ontbrak Ontbraken h. ontbroken
70 Umierać Overlijden Overleed Overleden z. overleden
71 Chwalić, nagradzać Prijzen Prees Prezen h. geprezen
72 Radzić, zgadywać Raden Radde / ried Raadden / rieden h. / z. geraden
73 Jechać Rijden Reed Reden h. / z. gereden
74 Podnieść się, Rijzen Rees Rezen z. gerezen
75 Wołać Roepen Riep Riepen h. geroepen
76 Pachnieć, wąchać Ruiken Rook Roken h. geroken
77 Rozdzielać, rozwodzić się Scheiden Scheidde Scheidden h. / z. gescheiden
78 Przeklinać, wyzywać Schelden Schold Scholden h. gescholden
79 Naruszyć Schenden Schond Schonden h. geschonden
80 Nalać, podarować Schenken Schonk Schonken h. geschonken
81 Tworzyć Scheppen Schiep Schiepen h. geschapen
82 Golić (się) Scheren Schoor Schoren h. geschoren
83 Strzelać Schieten Schoot Schoten h. / z. geschoten
84 Świecić, wydawać się Schijnen Scheen Schenen h. geschenen
85 Pisać Schrijven Schreef Schreven h. geschreven
86 Przestraszyć się Schrikken Schrok Schrokken z. geschrokken
87 Schować (się) Schuilen School Scholen h. gescholen
88 Przesuwać Schuiven Schoof Schoven h. / z. geschoven
89 Bić, uderzyć Slaan Sloeg Sloegen h. geslagen
90 Spać Slapen Sliep Sliepen h. geslapen
91 Zamykać Sluiten Sloot Sloten h. geslopen
92 Roztopić (się) Smelten Smolt Smolten h. / z. gesmolten
93 Kroić Snijden Sneed Sneden h. gesneden
94 Napinać Spannen Spande Spanden h. gespannen
95 Mówić, rozmawiać Spreken Sprak Spraken h. gesproken
96 Skakać Springen Sprong Sprongen h. / z. gesprongen
97 Stać Staan Stond Stonden h. gestaan
98 Ukłuć, kłóć Steken Stak Staken h. gestoken
99 Ukraść Stelen Stal Stalen h. gestolen
100 Umierać Sterven Stierf Stierven z. gestorven
101 Wznosić się, wzrastać Stijgen Steeg Stegen z. gestegen
102 Śmierdzieć Stinken Stonk Stonken h. gestonken
103 Walczyć Strijden Streed Streden h. gestreden
104 Stąpać Treden Tra Traden h. / z. getreden
105 Napotkać Treffen Trof Troffen h. getroffen
106 Ciągnąć Treken Trok trokken h. / z. getrokken
107 Upaść Vallen Viel Vielen z. gevallen
108 Złapać Vangen Ving Vingen h. gevangen
109 Walczyć Vechten Vocht Vochten h. gevochten
110 Znikać Verdwijnen Verdween Verdwenen z. verdwenen
111 Zapomnieć Vergeten Vergat Vergaten h. / z. vergeten
112 Stracić, zgubić Verliezen Verloor Verloren h. verloren
113 Rozumieć Verstaan Verstond Verstonden h. verstaan
114 Wyruszyć Vertrekken Vertrok Vertrokken z. vertrokken
115 Znaleźć, uważać za Vinden Vond Vonden h. gevonden
116 Latać Vliegen Vloog Vlogen h. / z. gevlogen
117 Pytać Vragen Vroeg Vroegen h. gevraagd
118 Mrozić, zamarzać Vriezen Vroor Vroren h. / z. gevroren
119 Myć Wassen Waste Wasten h. gewassen
120 Ważyć Wegen Woog Wogen h. gewogen
121 Rzucać, cisnąć Werpen Wierp Wierpen h. geworpen
122 Wiedzieć Weten Wist Wisten h. geweten
123 Wskazywać Wijzen Wees Wezen h. gewezen
124 Chcieć Willen Wilde/wou Wilden/wouden h. gewild
125 Wygrać Winnen Won Wonnen h. gewonnen
126 Stać się, robić się Worden Werd Werden z. geworden
127 Powiedzieć, mówić Zeggen Zei Zeiden h. gezegd
128 Wysłać Zenden Zond Zonden h. gezonden
129 Widzieć Zien Zag Zagen h. gezien
130 Być Zijn Was Waren z. geweest
131 Śpiewać Zingen Zong Zongen h. gezongen
132 Tonąć Zinken Zonk Zonken z. gezonken
133 Siedzieć Zitten Zat Zaten h. gezeten
134 Szukać Zoeken Zocht Zochten h. gezocht
135 Ssać Zuigen Zoog Zogen h. gezogen
136 Spuchnąć Zwellen Zwol Zwollen z. gezwollen
137 Pływać Zwemmen Zwom Zwommen h./z. gezwommen
138 Przysięgać Zweren Zwoer Zwoeren h. gezworen
139 Milczeć Zwijgen Zweeg Zwegen h. gezwegen